De gokkast

Je kent die dingen wel. Vroeger stonden ze overal, die kasten. Cafetaria’s, goedkope restaurants, biljartclubs, ze stonden nog net niet op scholen. Daar hadden ze dan geldverslindende flipperkasten staan.

Ik denk dat iedereen wel eens in de verleiding is gekomen om er wat geld in te gooien in de hoop geld te winnen. Maar net als in het echte leven, je wint wat en verliest een hoop. Of is het in geval van gokken: je verliest hoop?

Maakt ook niet uit. Ik wil de kant van verslavingen niet uit. Nee, ik wil even terug naar één fruitmachine. Een heel specifieke gokkast.

Eentje die zo’n jaar of honderd geleden stond in Duitsland stond. In een bratwursttent waar op dat moment een moeder die zich zorgen maakte of het gas thuis wel uit stond, een snotneus in de groei die meer bratworsten at dan zijn ouders konden betalen, een zus die dadelijk haar grootste stommiteit zou uithalen en een vader met VHS-videoband-snor. Oftewel, we zijn weer even terug bij de familie Ziet op vakantie.

Mijn zus en ik zaten braaf onze bratwurst op te eten toen er plots gerinkel achter ons klonk. Een man had zojuist geld gewonnen uit de gokkast. Mijn zus, puber in wording… of zoals ik het zo poëtisch wil noemen: tiran in de maak, staarde met dollartekens in haar ogen naar al die glimmende muntjes die onder uit de kast kwamen.

‘Dat wil ik ook,’ fluisterde ze.

‘Dat kan niet,‘ zei ik terug. ‘Je hebt geen geld en je bent dertien, je mag niet gokken.’

Ik zag al aan haar ogen dat ze een plan had. In die dagen, wanneer mijn zus een plan had, eindigde dat meestal in een boze vader en/of een rood oor. Dus als ik toch al een gokje moest wagen, gokte ik op een rood oor. Terwijl ik nog niet eens wist wat ze van plan was.

‘Let maar op,’ zei ze. ‘Ik kan dat zonder er geld in te gooien.’

Ze sprak het met zo’n zelfverzekerdheid dat ik bijna ging geloven dat we dadelijk als miljonairs naar buiten zouden lopen.

Het moment dat onze Duitse vette hap op en betaald was en mijn ouders aanstalten maakten om naar de auto te gaan, greep mijn zus haar kans.

‘Ik moet nog even naar de wc.’

Mijn moeder knikte.

‘Ik ook!’ riep ik er vlug achteraan. Wat een geërgerde blik van mijn zus opleverde. Maar ja, ik wilde haar masterplan wel eens zien. Bovendien had ik ook wel oren naar snel geld.

‘Wij wachten bij de auto,’ zei mijn pa en samen met mijn moeder naar buiten.

Ik draaide me om en zag dat mijn zus al bij de gokkast stond. Daar aanschouwde ik het meest idiote plan ooit. Mijn zus… VWO… paste de simpele wetten van de zwaartekracht toe op de gokkast. Oftewel, het geld kon maar één kant op volgens haar. Naar beneden door een kleine opening. Ik opperde nog dat ze heus niet alle geld weggaven en dat er wellicht nog ergens een opvangbak was voor het geld. De gokkast was immers niet voor niets zo groot.

Nee. Volgens mijn zus lag het grote geld bij die kleine opening onderin. Nu was ik bij Huize Ziet meestal ingeschaald als het minst heldere licht en mijn zus als de TL-lamp. Of dat nu een compliment is? Echter, die dag van de gokkast zou alles veranderen. Onze TL-lamp stak namelijk haar vingers in de kleine opening onder in de gokkast in de verwachting daar al die glimmende muntjes te pakken. Wat er gebeurde was dat we een “klik” hoorden en vervolgens zag ik mijn zus lijkwit wegtrekken.

‘Ik zit vast!’

‘Je zit wat?’

‘Vast! Help me!’

Als broertje doe je natuurlijk wat je moet doen. Dus ik begon haar eerst uit te lachen. Toen ik echter de tranen zag, drong het tot me door. Dit is een serieuze zaak! Ik wilde al keihard ‘mama’ roepen. Maar mijn zus was me voor.

‘Nee! Niet mama en papa erbij, ze vermoorden me!’

‘Dat doet de gokkast al,’ zei ik lollig terug.

Afijn, ik proberen haar vingers uit de gokkast te krijgen, maar dat ging voor geen meter. Ondertussen begonnen al wat klanten op te kijken.

‘Kijk net alsof er niets aan de hand is.’ Mijn zus keek me gebiedend aan.

Makkelijker gezegd dan gedaan. Wanneer je mij iets zei om het niet te doen… je raadt het al. Dan ging het mis. Dus ik probeerde daar heel volwassen te staan, maar het moet eruit gezien hebben als een jongetje van tien die wel honderd keer naar de verdwenen vingers van zijn zus staarde. Want dat deed ik.

Ik hakte de knoop door. ‘Ik ga mama en papa halen.’ En ik beende weg.

‘Neeeeeeee,’ hoorde ik mijn zus dramatisch achter mij roepen. Het leek wel een scène uit Jaws.

Hoe vertellen broertjes iets politiek corrects tegen hun ouders? Juist! Ze rennen naar buiten en als een ware NSB’er verlullen ze hun zus totaal de vernieling in en vergeten en passant hun eigen aandeel erbij te vertellen. Ik was geen uitzondering.

Mijn vader stoof woest naar binnen! Zijn snor wapperde furieus mee. Daar stond mijn zus. Als een van de allereerste levende standbeelden ooit gezien. Mijn pa bekeek een keer de situatie, bekeek de starende mensen, testte hoe vast de vingers zaten, bekeek nog een keer de menigte en sprak dreigen tegen mijn zus:

‘Geen kik!’

‘Hoez…?’

Mijn zus kon nooit haar vraag afmaken. In een tel rukte mijn vader de vingers uit de kleine opening. Je hoorde de huid er afschaven. Wat mijn zus nog witter maakte. Ze trok haar mond al open voor een luchtalarm, maar toen ze de demonische blik van mijn vader zag, slikte ze de hele gil in.

‘Meekomen en in de auto mag je huilen!’ Mijn vader trok mijn zus mee door het restaurant. De gasten op zijn pad een vlugge Grüss Got wensend.

Ik hobbelde erachteraan. Met een grote grijns. Dit was een van die zeldzame keren dat niet ik, maar mijn zus de klos was. En dat het rode vingers waren,* terwijl ik op een rood oor gegokt had.. ach ja. Mijn zus zou me er de hele vakantie niet op wijzen. In elk geval niet met haar rechterhand.

 

Kijk hier de voorleesvideo:

Comments

    1. Post
      Author

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.